Wanneer de belangen van bestuurder en vennootschap botsen
In het Nederlandse ondernemingsrecht speelt het leerstuk tegenstrijdig belang een belangrijke rol bij de bescherming van het vennootschapsbelang. Bestuurders en commissarissen hebben de plicht om dit belang integer en onbevooroordeeld te behartigen. Maar wat als er omstandigheden zijn waardoor een bestuurder óók een ander belang dient – bijvoorbeeld persoonlijk of dat van een andere onderneming – dat niet volledig parallel loopt met het belang van de vennootschap? In dit artikel bespreken we wat het leerstuk inhoudt en enkele praktische lessen voor ondernemers.
Een tegenstrijdig belang ontstaat wanneer een bestuurder of commissaris door een persoonlijk belang, of door betrokkenheid bij een ander niet-parallel lopend belang, niet langer geacht kan worden het vennootschapsbelang integer en onbevooroordeeld te behartigen. Dit kan zich voordoen bij zowel directe belangen (bijvoorbeeld financieel voordeel voor de bestuurder zelf) als indirecte of ‘kwalitatieve’ belangen (bijvoorbeeld betrokkenheid bij een andere vennootschap waarmee zaken worden gedaan).
De Hoge Raad formuleerde in het Bruil/Kombex-arrest het toetsingskader (HR 29 juni 2007, NJ 2007/420): het hoeft niet zeker te zijn dat de vennootschap wordt benadeeld; voldoende is dat er zodanig onverenigbare belangen zijn dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld of de bestuurder uitsluitend door het vennootschapsbelang wordt geleid.
Het is belangrijk te benadrukken dat het hebben van een tegenstrijdig belang op zichzelf niet verboden is. De kernvraag is hoe daarmee wordt omgegaan.
Artikel 2:129 lid 6 BW (voor de NV) en 2:239 lid 6 BW (voor de BV) bepalen dat een bestuurder met een tegenstrijdig belang niet mag deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het betreffende onderwerp – de zogenaamde onthoudingsregel.
Kan het bestuur door onthouding geen besluit nemen, dan gaat de bevoegdheid over naar de raad van commissarissen, en als die ontbreekt of eveneens geconflicteerd is, naar de algemene vergadering (de escalatieregeling). Voor commissarissen geldt een vergelijkbare regeling in artikel 2:140/250 lid 5 BW.
Sinds 2013 heeft een schending van deze regeling in beginsel alleen interne werking: het besluit kan worden vernietigd, maar extern blijft de vennootschap in principe gebonden.
De wet vertelt maar de helft van het verhaal. De Ondernemingskamer (OK) heeft sinds het Linders/Hofstee-arrest aanvullende zorgvuldigheidseisen geformuleerd (Hof Amsterdam (OK) 26 mei 1983, ECLI:NL:GHAMS:1983:AC8007). Een geconflicteerde bestuurder moet:
In latere procedures heeft de OK dit verder aangescherpt: een bestuurder mag ook niet betrokken zijn bij de voorbereiding of uitvoering van een besluit waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft.
Praktische lessen voor ondernemers en bestuurders:
Het leerstuk ‘tegenstrijdig belang’ blijft volop in beweging. Waar de wet een helder kader geeft voor onthouding en escalatie, vult de rechtspraak dit aan met vergaande zorgvuldigheidsnormen. In de praktijk betekent dit dat bestuurders en commissarissen niet alleen formeel, maar ook materieel transparant en zorgvuldig moeten handelen.
Met de toenemende aandacht van de rechterlijke macht voor belangenverstrengeling – en de soms verstrekkende gevolgen in enquêteprocedures – is het zaak om als bestuurder of ondernemer voorbereid te zijn.
Heeft u te maken met een mogelijk tegenstrijdig belang of wilt u zeker weten dat besluitvorming in uw onderneming ‘OK-proof’ is? Neem contact op met onze specialisten: Edwin Mulders, Lenny Godding, Maggie van Waaijenburg en Niels Setz.